| Gelabeld in: Niet gelabeld | 17 juli 2008 |
| Geplaatst door: Hans de Groot |
Vandaag staat ons een lange dag te wachten. De vluchten vijf en zes van deze trip brengen ons eerst naar Miri en dan naar Kuala Lumpur. Vandaar volgt nog een lange busreis naar Ipoh, zo'n 200 km noordelijker aan de westkust.
Maar eerst bezoeken we nog het Penan Settlement Centre, een stuk verderop aan de licht bochtige rivier. In gemotoriseerde korjalen varen we ernaartoe, een fantastische ervaring: de dag is zonovergoten, de bomen omzomen en overhuiven ons in een nabij natuurgevoel.
Het centrum bevindt zich in een Penan-dorp: een losse verzameling paalhuisjes, barakken en drie longhouses in elkaars verlengde op een rij. Ik zie er mijn eerste aap, in een kooi onder een huis. Op één groter gebouw staat: Evangelical Church of Sarawak. Dat verwacht je niet in de rimboe. Vijftig jaar terug, zo vertelt later de vertaler en tevens voorganger, trok een Australische vrouw er rond om het evangelie te brengen; nu zijn alle Penan christen.
We verzamelen ons op het lange dek voor het middelste longhouse. De hoofdman en andere belangrijke personen zitten langs de wand, wij ertegenover op banken bij de reling. Af en toe voegen andere Penan zich erbij, op een gegeven moment zit er een sliert van dertig mannen en vrouwen. Het is een bijzonder gezicht. De mensen zijn klein, mager en slecht gekleed. Het bos levert nu ook weer niet zoveel op, dat ze dikke boterhammen kunnen eten. Daarom hebben ze ook rechten op vrij grote arealen nodig om in hun levensbehoeften te kunnen voorzien. Werkelijk alles hebben ze uit het bos nodig. Het is dan ook niet vreemd dat de inheemse volken in het verleden blokkades opwierpen als bosbedrijven aan het kappen wilden gaan. En nog steeds komt deze vorm van protest voor.
Ze hebben een ongelofelijke kennis van bos, bomen en planten en weten waar alles voor te gebruiken en geschikt is. Maleisische onderzoeksinstituten zijn naarstig bezig deze onschatbare kennis te verzamelen en te publiceren om niets van dat kostbaars verloren te laten gaan.
Overheden en bedrijven kunnen wel trots plaatjes tonen van bossen die tien jaar na de kap weer zijn dichtgegroeid, maar de Penan stellen dat het bos niet meer hetzelfde is. Er groeien andere bomen dan er eerst stonden, dus het evenwicht is niet terug, en het is maar de vraag of je kunt spreken van een verbetering.
Ze zijn tevreden over alles wat de regering voor hen doet, vertelt de voorganger die eerder zelf het woord voert dan vertaalt. Maar ze blijven consequent in het bos jagen, met hun oude wapens, zoals blaaspijpen en strikken. Ze zijn te zeer verweven met het bos om nog te veranderen. Dat zal aan de jongste generaties voorbehouden zijn, want alles moet uiteindelijk voor god Economie wijken.
Bij het afscheid geven we ze bussen en potten versnaperingen, daar houden ze kennelijk van, en kopen nog wat souvenirs op de ‘markt': een reeks vrouwen langs het linker longhouse met hun zelfgemaakte handwerken, sieraden en andere spullen voor zich uitgespreid.
We varen verder de rivier af naar nog twee grotten die na de spektakelstukken van gisteren wat minder zijn, al dalen we in één, de Clearwater Cave, helemaal af naar een ondergrondse rivier.
Op het vliegveld van Miri komen de Deputy Prime Minister en de minister van Bosbouw van Sarawak, zelf ook op reis, ons even de hand schudden. De vice-minister-president zorgt zelfs voor koffie en koekjes. Ook worden we geïnterviewd door de tv en plaatselijke pers. Het respect dat we steeds ontmoeten, begint over te gaan in roem...







