| Gelabeld in: Niet gelabeld | 15 juli 2008 |
| Geplaatst door: Hans de Groot |
Al om 08.00 uur zitten we bij Wisma Samling, een van de zes grootste bedrijven in Sarawak.
Chief Operating Officer James Ho Yam Kuan geeft tegelijkertijd zelfbewust en relativerend opening van zaken. Die houding treffen we eigenlijk steeds aan. Behalve concessies in Sarawak - waarvan één MTCC-gecertificeerd (55.949 ha) op vrijwillige basis - houden ze er ook twee FSC-gecertificeerde in het buitenland op na, in Nieuw-Zeeland en Frans Guyana. Omdat de belangrijkste exportmarkten niet in Europa liggen, ontbreekt feitelijk de noodzaak, wat we al eerder hoorden. Bovendien, zo stelt Ho, is Sarawak al met duurzaam bosbeheer bezig, lang voordat andere certificeringsinitiatieven zich aandienden, inclusief removal passes en dergelijke. Een cijfer: 6 miljoen ha van de 12,8 miljoen die de staat heeft, is Permanent Forest Reserve.
Het bedrijf heeft veel indigenous people in dienst, maar vooral de nomaden onder hen blijven een lastig probleem in hun ongrijpbaarheid. Samling doet ontzettend veel voor hen (stromend water, elektra, bruggen etc., maar het komt toch hier op neer: de tijd moet het werk doen.
Per dezelfde zes terreinwagens gaat het naar Samling Plywood, 25 km zuidelijker van Miri in Kuala Baram, gelegen in een schitterende landelijke omgeving, op z'n weelderig tropisch. De jaarlijkse productie van ruim 150.000 m3 gaat naar twintig markten.
Qua arbo (ook onderdeel van certificering - de keurmeesters hebben zich meteen ook maar opgeworpen als vakbond en arbeidsinspectie -) is net als bij alle bezochte bedrijven nog veel voor verbetering vatbaar. Zelf krijgen we geen helmen of oordopjes uitgereikt bij de rondleidingen, en bij de werknemers zien we ze ook niet, evenmin als veligheidsschoenen en -brillen, stofkapjes en wat dies meer zij. Kennelijk is dat nog een blinde vlek in Maleisië. Ook de over het algemeen wat oudere machines zijn niet voldoende afgeschermd, en de fabrieken zijn niet al te schoon. Voor PEFC-certificering moeten ook deze zaken tot in de puntjes geregeld zijn, stelt PEFC-vertegenwoordiger professor Hans Köpp onverbiddelijk.
Terug op het vliegveld van Miri vliegen we in een klein half uur met een vertrouwde Fokker 50 naar het Royal Mulu Resort, een fantastisch complex van 188 royale kamers - houten ‘longhouses' op palen - aan een rivier in het oerwoud. In sfeer en aankleding overtreft het iedere verwachting. Mijn oerwoudgevoel wordt krachtiger, daar tussen de bomen op reikafstand en de grotere variëteit aan geluiden.
Na de luch maken we een lange wandeling door het bos, zij het over houten vlonderlanen en betonnen paden. De weg voert naar twee grotten, waarin miljoenen vleermuizen (15 soorten) de hele dag rondhangen, de Deer en Lang Cave. Vooral de eerste is overweldigend door z'n lengte en z'n kathedraalhoge kamers. Vanaf 17.00 uur zetten we ons met vele anderen aan de ingang van de Deer Cave, wachtend op het uitvliegen van de fladderaars. Rond 17.30 uur begint het: eerst in plukjes, dan in slierten en ten slotte in langgerekte, meanderende zwermen. Het is onvergetelijk.
‘s Avonds bij het diner (met lokale dansgroep) en later bij de borrel vliegen de rakkers af en toe door de open ruimte van het resort. Een karaoke is het besluit.

geschreven door Trudy , 15 jul 2008






